
Productverbod per 2027: wat de F-gassenregels betekenen voor warmtepompen, veiligheid en vakbekwaamheid
InstallatieDe energietransitie is al jaren zichtbaar op de bouwplaats. Warmtepompen zijn inmiddels gemeengoed in zowel nieuwbouw als renovatie. Tegelijkertijd worden de eisen aan klimaatinstallaties steeds verder aangescherpt. Op 1 januari 2027 treedt een belangrijk productverbod in werking als gevolg van de in 2024 herziene F‑gassenverordening ((EU) 2024/573). Dit productverbod heeft niet alleen gevolgen voor het type kleinere warmtepomp dat mag worden toegepast, maar raken ook ontwerpkeuzes, veiligheid, certificering en de manier waarop bouw- en installatiepartijen samenwerken. Voor wie nu al vooruitkijkt, zijn vervelende verrassingen later te voorkomen.
Wat verandert er per 1 januari 2027?
De nieuwe F‑gassenverordening heeft de regels ten aanzien van de invoer, productie en gebruik van gefluoreerde broeikasgassen aangescherpt. Doel van deze Europese wet is het versneld terugdringen van emissies van gefluoreerde broeikasgassen, die een veelvoud van het broeikaseffect van CO₂ hebben. Dat gebeurt via een combinatie van een aangescherpt quotasysteem, certificering om competentie en verantwoording te vergroten, en concrete productverboden voor nieuw in de handel te brengen apparatuur.
Voor de gebouwde omgeving is het volgende verbod met name relevant: lucht‑water split‑units met een vermogen tot 12 kW mogen vanaf 1 januari 2027 alleen nog in de handel worden gebracht als het toegepaste koudemiddel een Global Warming Potential (GWP) heeft van maximaal 150. Veel gangbare koudemiddelen, zoals R32, voldoen niet aan deze eis en zullen daarom – waar het gaat om nieuwbouw – op termijn verdwijnen uit dit marktsegment. Een soortgelijk verbod op het in de handel brengen van lucht-lucht split-units met een vermogen tot 12 kW gaat in per 1 januari 2029. Vanaf 1 januari 2035 zijn F-gassen in nieuw in de handel gebrachte split-units tot 12 kW zelfs helemaal verboden.
Voor grotere splitsystemen – boven de 12 kW – is het GWP vanaf 1 januari 2029 maximaal 750, en vanaf 1 januari 2033 maximaal 150.
Het is belangrijk om te benadrukken dat het hier gaat om het ‘in de handel brengen’ van nieuwe producten. Bestaande klimaatinstallaties mogen gewoon in gebruik blijven en kunnen in de regel ook worden onderhouden. Wel is er voor onderhoud en service van klimaatapparatuur en warmtepompen een verbod op het gebruik van F-gassen met een GWP van meer dan 2500, met een uitzondering voor hergebruikt F-gas (gerecycled of geregenereerd). Die uitzondering geldt tot 1 jan 2032.
Verschuiving naar andere koudemiddelen
Door de productverboden verschuift de markt snel richting andere typen koudemiddelen. In dit segment gaat het vooral om natuurlijke koudemiddelen, met name R290 (propaan), en om synthetische alternatieven met een laag GWP in veiligheidsklasse A2L. Deze middelen hebben een veel lagere klimaatimpact dan traditionele F‑gassen, maar zijn wel (licht) brandbaar.
Die verschuiving heeft aanzienlijke gevolgen voor ontwerp en uitvoering. Waar installateurs en ontwerpers jarenlang gewend waren aan niet‑brandbare koudemiddelen, vraagt de toepassing van met name A3‑koudemiddelen – zoals propaan - om een andere veiligheidsbenadering. De keuze voor een bepaald koudemiddel is daarmee niet langer alleen een technische of energetische afweging, maar ook een veiligheidsvraagstuk.
Veiligheid als volwaardig ontwerpcriterium
De toename van brandbare koudemiddelen maakt veiligheid een integraal onderdeel van het installatie‑ en gebouwontwerp. Aspecten zoals de opstellingsplaats van de warmtepomp, ventilatievoorzieningen, maximale koudemiddelinhoud en de afstand tot ramen, deuren en ontstekingsbronnen krijgen een zwaarder gewicht.
Dit raakt niet alleen de installateur, maar ook architecten, adviseurs, aannemers en opdrachtgevers. Warmtepompen kunnen niet langer los worden ontworpen van het gebouw waarin ze staan. Normen en richtlijnen spelen daarbij een steeds belangrijkere rol. In de praktijk betekent dit dat bouw en installatie al in een vroeg stadium goed op elkaar moeten worden afgestemd.
De opkomst van monoblock‑systemen
Een duidelijke trend die door de F‑gassenverordening wordt versterkt, is de groei van monoblock‑warmtepompen. Bij deze systemen bevindt het volledige koudemiddelcircuit zich buiten het gebouw. Binnen komt slechts water of een water‑glycolmengsel, waardoor geen brandbaar koudemiddel het gebouw in gaat.
Dit maakt het veiligheidsvraagstuk eenvoudiger en verklaart waarom monoblocks vooral in de woningbouw en bij renovaties aan populariteit winnen. Tegelijk zijn monoblock‑systemen geen kant‑en‑klare oplossing voor iedere situatie. Aspecten zoals geluidsproductie, buitenopstelling, en hydraulische inpassing blijven belangrijke aandachtspunten voor ontwerp en uitvoering.
Certificering: breder dan alleen F‑gassen
Een minder zichtbaar, maar minstens zo belangrijk gevolg van de nieuwe verordening is de uitbreiding van de certificeringsplicht. Waar deze voorheen uitsluitend gold voor werkzaamheden aan installaties met F‑gassen, geldt de plicht nu ook voor alternatieven (ook natuurlijke koudemiddelen genoemd). Dat betekent dat monteurs én bedrijven die werken met propaan, CO₂ of ammoniak ook gecertificeerd moeten zijn.
Voor bouwprojecten heeft dit directe gevolgen. De beschikbaarheid van voldoende gecertificeerd personeel wordt een kritische factor in planning en uitvoering. Opdrachtgevers en hoofdaannemers doen er daarom goed aan expliciet te eisen dat werkzaamheden worden uitgevoerd door gecertificeerde partijen. Dat voorkomt vertraging en risico’s achteraf.
Gevolgen voor bouw en vastgoedpraktijk
Naast techniek en veiligheid heeft de nieuwe regelgeving ook bredere effecten. Door het aangescherpte quotasysteem neemt de beschikbaarheid van traditionele koudemiddelen verder af en kunnen prijzen stijgen. Bestekken, standaarddetails en programma’s van eisen zullen moeten worden aangepast aan de nieuwe GWP‑grenzen.
Voor vastgoedeigenaren en beheerders wordt vooral de toekomstbestendigheid van installaties belangrijker. Keuzes die nu worden gemaakt, bepalen in hoge mate of installaties ook op langere termijn onderhoudbaar en vervangbaar blijven binnen de steeds strenger wordende regelgeving.
Vooruitdenken loont
De productverboden die op 1 januari 2027 ingaan, markeren geen kleine stap, maar een structurele verandering in de manier waarop warmtepompen worden toegepast. Meer brandbare koudemiddelen, strengere veiligheidseisen en uitgebreidere certificeringsverplichtingen vragen om nauwere samenwerking tussen bouw en installatie.
Wie nu al anticipeert op deze ontwikkelingen, voorkomt dat regelgeving een belemmering wordt. Met de juiste keuzes kan de F‑gassenverordening een impuls zijn voor veiligere, duurzamere en toekomstbestendige gebouwen.
Door: Zohar Tzur, NVKL Projectmanager Wetgeving en Innovatie












